Tim Keller over leiderschap

Henk Jan KamsteegBlogLeave a Comment

Je bent pas klaar voor een leidinggevende rol wanneer je slaaf van Christus wilt zijn. Tim Keller, voorganger van Redeemer Presbyterian Church in New York, over radicaal dienend leiderschap.

 

De Bijbel leert ons wat waar leiderschap is. Leiderschap is niet los te zien van dienaarschap. En wel op een radicalere manier dan wij nu vaak zien. Wanneer we de geschiedenis van Jezus lezen, komen we het woord dienaarschap regelmatig tegen. Het Griekse woord dat Jezus hiervoor gebruikt is oikonomos, dat rentmeester betekent. De rentmeester was de baas van een groot huis met veel mensen in dienst. Tegenwoordig zouden we daarom spreken van een manager.

Deze manager was niet alleen leidinggevende, maar ook een slaaf. Hij was namelijk in dienst van een meester die hem over zijn bezit had aangesteld. De enige reden waarom de slaaf dus zo’n autoriteit had, was omdat hij in dienst was van een meerdere. Wanneer we het hebben over christelijk leiderschap, moeten we daarom heel goed beseffen dat we het hebben over iemand die zowel heerser als slaaf is.

 

De essentie van leiderschap is de resources waarover je gesteld bent, te laten groeien. Die resources kunnen zowel geestelijk, financieel als fysiek zijn. Het is de taak van de leider hier goed mee om te gaan. Dit betekent dat we onze gaven en talenten niet in de grond mogen stoppen, zoals we leren uit de gelijkenis in Matteüs 25. We moeten doen wat in ons vermogen ligt, om de resources tot bloei te laten komen.

 

Aan de ene kant is een leidinggevende dus een slaaf. Je moet verantwoording afleggen bij je Meester. Alles wat je doet, moet in zijn voordeel zijn. Maar aan de andere kant ben je de baas. Je hebt autoriteit over bepaalde resources, met als doel deze te laten groeien en cultiveren. Kortom: een christelijk leider is iemand die zijn resources ontwikkelt niet ten gunste van zichzelf, maar van God.

Wij zijn dienaars van de ultieme dienaar Jezus. Hij is de Heer die slaaf werd. In Filippenzen 2 staat dat Hij de doulos werd, de slaaf. Dit concept van slaaf-zijn is het hart van christelijk leiderschap. Nu is dit niet een geliefd begrip. Zeker niet in onze tijd. Als argument tegen het christelijk geloof wordt wel gezegd dat de Bijbel slavernij goedkeurt en dus uit de tijd is. Nu weten we immers beter.

In het boek Slave of Christ schrijft Murray J. Harris dat het Griekse woord doulos in de meeste bijbelvertalingen niet met slaaf, maar met dienaar vertaald wordt. De vertalingen verzachten het woord dus. Maar we zijn meer dan elkaars dienaren. We zijn elkaars slaven. Net zoals Jezus een slaaf van mensen werd.

De reden dat de meeste vertalers het woord slaaf mijden, zal voor zich spreken. We voelen ons er namelijk niet bij op ons gemak. Wanneer wij aan slavernij denken, denken we aan de slavenhandel zoals we die in de Verenigde Staten kenden. Maar we moeten beseffen dat de slavernij zoals beschreven in het Nieuwe Testament iets totaal anders was. Slaven uit die tijd onderscheidden zich niet in ras, taal of kleding. Ze zagen eruit als ieder ander. Het tweede is dat slaven vaak beter opgeleid waren dan hun meesters en zeer verantwoordelijke banen hadden. Ten derde verdienden slaven net zoveel als vrije werklieden. Het vierde verschil is dat mensen zichzelf als slaaf konden verkopen om er financieel op vooruit te gaan. En ten vijfde waren maar weinig slaven slaaf voor het leven.

 

De slaaf waar het Nieuwe Testament over spreekt, gehoorzaamde zijn meester zonder voorwaarden te stellen. Dit is cruciaal om te begrijpen. Wanneer we het hebben over dienend leiderschap, denken we namelijk vaak aan onzelfzuchtig leiderschap. Maar het gaat veel verder. Als slaven van God stellen wij aan Hem geen voorwaarden voor we Hem willen dienen. We hebben geen consumptierelatie met God en anderen. We zijn niet gekwalificeerd als christelijk leider als we geen onconditionele liefde voor God en de mensen om ons heen hebben.

 

We zijn gekocht tegen een prijs. Dit betekent dat we vrij zijn van de slavernij van zonden, van schuld en veroordeling, van angst voor de dood en de eisen van de wereld. Als slaven van Christus zijn we geen slaven van iets of iemand anders. Nu we ons onconditioneel gecommitteerd hebben aan God, maakt het niet meer uit wat anderen van ons vinden. We zijn niet klaar voor een leiderschapsrol wanneer we deze vrijheid in Christus niet ervaren. En we kunnen alleen vrij zijn in Hem als we een slaaf van Hem willen zijn. Alleen door slaaf van Hem te zijn, zul je geen slaaf van anderen zijn.

Wanneer we waardering en erkenning buiten Jezus zoeken, zullen we slaaf worden van die andere dingen. Zoek je je geluk in je carrière, je gezin, je banksaldo, dan zullen zij je meester worden. Alleen door je bestemming bij Christus te zoeken, zul je echt vrij zijn. Jezus is de enige Meester die wanneer je Hem omarmt, je zal geven wat je nodig hebt. En Hij is de enige die je zal vergeven, als je tegenover Hem tekortschiet. Kortom: vrijheid, het leven voor jezelf, leidt tot slavernij. En slavernij aan Christus leidt tot vrijheid.

 

Om te zien of we onszelf helemaal aan Christus willen overgeven – en klaar zijn voor een leidinggevende rol – kunnen we onszelf vier vragen stellen:

 

  • Ben ik bereid Hem onconditioneel te gehoorzamen?
  • Ben ik bereid Hem in alle omstandigheden te danken?
  • Durf ik mijn hoop alleen op Hem te vestigen?
  • Ben ik bereid Hem totaal te vertrouwen?

 

Zoals gezegd is een leider een slaaf die als taak heeft zijn resources te laten groeien. Daarom gaan we nu in op evangelisatie, geldzaken, lijden en roeping.

 

Omgaan met geld

Leiders moeten modellen zijn als het gaat om hun gulheid. Ga er maar gerust van uit dat mensen nauwlettend in de gaten houden hoe christelijke leiders met hun geld omgaan. Daarom moeten we kijken wat de Bijbel hierover leert.

Laten we allereerst vaststellen dat we niet dogmatisch kunnen zijn over hoeveel we moeten geven. Wel kunnen we naar onze motivatie kijken. Hoeveel geven we weg? Laten we naar vier principes kijken over hoeveel geld we kunnen weggeven.

 

  • Het principe van de tienden. In het Oude Testament moest men tien procent van het inkomen weggeven. Vraag me niet of het hier om een bruto- of nettobedrag gaat. Ik weet het niet. Het Nieuwe Testament geeft geen bepaald percentage. De tienden worden niet eens genoemd. Alleen dan in Matteüs 23:23 waarin Jezus tegen de Farizeeën zegt: “Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie geven tienden van munt, dille en komijn, maar veronachtzamen wat in de wet zwaarder weegt: recht, barmhartigheid en trouw, terwijl men het een zou moeten doen zonder het andere te laten.” Wat Jezus zegt is: goed dat je tienden geeft, maar je probleem is dat je niet verder kijkt naar wat de noden van de gemeenschap zijn. Je geeft naar de regel, maar niet naar de geest van de omstandigheden. Jezus is dus boos op de Farizeeën omdat ze niet verder willen gaan dan de tienden, terwijl de situatie daar wel om vraagt. Zou hetzelfde dus ook niet voor ons opgaan? De tienden zijn een minimum!
  • Het principe van het offer. De Bijbel zegt voortdurend dat een gift een offer moet zijn. Christenen gaven boven hun vermogen (2 Korintiërs 8:3). Je giften hebben dus invloed op hoe je zelf kunt leven. Dus als je je tienden geeft, maar het je manier van leven niet beïnvloedt, moet je meer geven. Andersom geldt hetzelfde. Als je niet aan je tienden komt, maar wel moet opofferen, is het goed.
  • Het principe van de gemeenschap. De Bijbel vertelt veel over echtbreuk. Wanneer je echtbreuk pleegt, weet je direct dat je fout zit. Maar de Bijbel spreekt nog veel meer over hebzucht. Maar bijna niemand voelt direct aan wanneer hij gierig is. Het werkt net als het principe van de kikker die zwemt in water dat steeds warmer wordt. Je hebt het niet door, omdat je altijd omgaat met mensen die net iets meer geld hebben. Je voelt je dus nooit rijk. En daarom besef je niet dat je hebberig bent.
  • Het principe van de praktijk. De Bijbel is lovend over materiële zaken, zoals eten en het lichaam. Het is dus goed ervan te genieten. Maar de Bijbel waarschuwt ook voor gierigheid. Er is altijd een soort spanning tussen deze twee. Geniet én geef weg.

 

Laten we ten slotte enkele redenen opsommen waarom we gul zouden moeten zijn:

 

  • Jezus Christus kwam niet alleen om onze ziel te redden, maar Hij stond op uit de dood en zal de wereld vernieuwen. Daarom is de materiële wereld belangrijk. Christenen moeten daarom niet alleen evangeliseren, maar ook tegemoetkomen aan de materiële noden van de mensen om hen heen. We moeten de armen helpen, anders laten we ook niet zien hoe het komende Koninkrijk eruit komt te zien.
  • Het Evangelie leidt van nature tot een bereidwilligheid te geven en te delen met de armen. Jakobus zegt dat het ware geloof zich uit in daden. Deze daden zijn de werken voor de armen, de leden van de gemeenschap die minder hebben dan jij.

 

Leiden in tijd van lijden

In het Westen weten wij ons geen raad met het lijden in de wereld. Terwijl alle culturen het lijden aangrijpen als een kans om te kunnen groeien en zich te ontwikkelen, denken wij dat het leven met lijden stopt. Maar we kunnen geen christelijke leiders zijn als we niet kunnen omgaan met onze eigen vragen en moeilijkheden uit de Bijbel. En we schieten als leidinggevende al helemaal tekort als we anderen niet kunnen helpen omgaan met het lijden in hun leven.

De mensen om ons heen zullen problemen kennen. Wij moeten hen kunnen helpen. Hiervoor hebben we het Evangelie nodig. Het zal onze visie op het lijden veranderen. Neem 2 Korintiërs 4:16-18: ‘Ook al gaat ons uiterlijke bestaan verloren, ons innerlijke bestaan wordt van dag tot dag vernieuwd. De geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft. Wij richten ons niet op de zichtbare dingen maar op de onzichtbare, want de zichtbare dingen zijn tijdelijk, de onzichtbare eeuwig.’ Dit is ongelooflijk. Paulus zegt niet dat wanneer we maar lang genoeg wachten, onze pijn vanzelf wel zal worden verzacht door eeuwige luister, maar dat het lijden de luister bewerkstelligt. Door het ultieme lijden uit de geschiedenis – Jezus’ kruisiging en dood – werd heerlijkheid mogelijk gemaakt. De manier waarop Hij leed, bracht glorie voor de wereld.

Door het Evangelie op je lijden toe te passen, kun je echte vreugde leren kennen. Het zal je vormen. Je zult het leven leren waarderen. Elizabeth Elliot was een vrouw die haar eerste twee echtgenoten verloor. De eerste was een zendeling die werd vermoord en haar tweede man ging dood aan kanker. Zij kon dus meepraten over wat lijden is. Let op wat zij eens zei: “Dezelfde zon die was kan verzachten, kan klei verharden.” Wat zijn wij? Was of klei? Hetzelfde lijden kan van iemand een bitter mens maken of een geweldig persoon. Hoe dit kan? Het ligt eraan of je het Evangelie de ruimte wilt geven in je lijden. Jezus leed niet opdat wij nooit meer hoeven lijden, maar opdat wij door ons lijden heen zullen worden als Hem.

Christenen realiseren zich dat hun lijden niet een vervangend lijden is als dat van Jezus. Maar als je beseft dat Jezus zo leed voor ons, zullen wij door ons lijden heen rijker worden in plaats van verbitterd. Laat me een paar voorbeelden geven.

Als je blijft beseffen wat Jezus voor je gedaan heeft, zul je wanneer je lijdt nooit denken dat God je heeft verlaten. God verliet Jezus aan het kruis, opdat Hij ons nooit zou verlaten. Dus wat het lijden ook mag betekenen, het is niet een straf van God. Jezus droeg die straf namelijk al.

Ook zul je door het lijden niet wegzakken in woede naar God toe. Want je weet dat Jezus een groter lijden op zich nam voor jou. En dit was totaal onverdiend. Daardoor zul je het lijden kunnen dragen.

Het lijden en sterven van Jezus werd door zijn volgelingen niet begrepen. Ons eigen lijden begrijpen we vaak ook niet. Maar we weten dat God het lijden van Jezus gebruikte om er iets moois mee te doen. Dus mogen we erop vertrouwen dat God ook ons lijden kan gebruiken.

 

Er zijn zes dingen die ik zeg tegen mensen die met lijden te maken hebben:

 

  • Wees niet verbaasd. Waarom Hij het toelaat? Hij liet het toe bij Jezus. En Hij was een goed Mens. Waarom zou Hij het dan niet toelaten bij jou? Het zou je niet mogen verbazen. We maken deel uit van een zieke en gevallen wereld.
  • Herken Gods eigen lijden. We weten niet waarom God lijden toestaat, maar we weten wel waarom Hij het niet doet. Het is niet dat Hij niet om ons geeft. Hij haat ons lijden zo erg, dat Hij in de wereld kwam om in ons lijden te komen zodat Hij op een dag een eind kan maken aan al het lijden zonder ook een eind te maken aan ons.
  • God heeft verborgen doelen. In Romeinen 8:28 staat dat God dingen gebruikt ten goede. We zien vaak alleen niet wat dit is. De Bijbel laat zien hoe God het grote kwaad gebruikt ten goede.
  • God heeft geopenbaarde doelen voor lijden. Als je in je lijden blijft hangen, zul je ver van God komen te staan. Je wilt alleen een relatie met Hem als het goed met je gaat. Maar wanneer er lijden komt… dan wil je niets meer met Hem te maken hebben. Wie is de Meester en wie de dienaar?
  • Examineer je eigen hart. Dr. David Martyn Lloyd-Jones vertelt het verhaal dat hij een groep predikanten hoorde praten over een jonge predikant op wie zij hun hoop vestigden in een tijd waarin het christelijke geloof niet zoveel meer in te brengen had. Deze jonge, begaafde predikant zou wel eens hét verschil kunnen maken. Maar een van de predikanten zei als reactie het volgende: “Er is één probleem. Ik denk niet dat hij al is gebroken.” Zolang je niet gebroken bent, zul je niet veel kunnen inbrengen. Zolang je zelf niet door het stof bent gegaan, kun je niet veel betekenen voor anderen. Je bent te oppervlakkig. Je kunt je niet inleven. Je weet niet waar je het over hebt.
  • Als je een persoon die met lijden te maken krijgt niet goed kent, zorg dan vooral dat je niet te veel zegt! En citeer al helemaal niet Romeinen 8:28. “O, God zal het wel ten goede gebruiken.” Als je zoiets zegt, ben je het niet waard een leider genoemd te worden. Wees dus stil en laat gewoon zien dat je er voor de ander bent.

 

 

Roeping van de leider

Hoe zit het met onze gaven en talenten? Als leiders moeten we allereerst onze gaven kennen en ontwikkelen en vervolgens anderen helpen hetzelfde te doen.

 

Vaak denken we dat wanneer we echt werk in Gods Koninkrijk willen doen, we wel binnen de kerk werkzaam moeten zijn als predikant, evangelist of aanbiddingsleider. Niets is minder waar. Terecht had Luther het over het ‘priesterschap van alle gelovigen’. Al het werk is een roeping van God. Binnen én buiten de kerk. Laten we naar een aantal argumenten hiervoor kijken:

 

  • Al het werk maakt deel uit van Gods werk.

God schiep de wereld door zijn Geest. En nog steeds houdt de Geest zich met de schepping bezig (Psalm 104). God schept, cultiveert en bevrijdt de schepping.

Is het geestelijker om predikant dan bijvoorbeeld muzikant te zijn? Velen denken van wel. Helemaal wanneer de muzikant geen gospelmuziek zou spelen. Toch klopt dit niet. De Geest is namelijk meer dan een evangelist. Hij is zoals gezegd ook Schepper en degene die de schepping cultiveert. Daarom neemt iedereen die bezig is de schepping te cultiveren deel aan Gods werk.

 

  • Al het werk is dienstbaarheid aan de ander.

Wat zou een werknemer op kantoor moeten zonder bureaustoel? Stel nu eens dat hij zonder de hulp van anderen een stoel zou moeten maken? Als hem dit überhaupt al zou lukken, zou hij hier waarschijnlijk maanden mee bezig zijn. Hij heeft immers geen door anderen gemaakte gereedschappen voorhanden… Hij kan dus alleen effectief zijn werk doen wanneer iemand anders hem door het maken van een stoel heeft willen dienen.

We dienen elkaar door wat we doen. Of je nu op de preekstoel staat of in een fabriek werkt. Daarom is het belangrijk te beseffen dat wanneer je je werk goed doet, je de mensheid dienst zoals God het bedoeld heeft.

 

  • Al het werk is gebaseerd op de gaven die God gegeven heeft.

We zijn allemaal gemaakt naar Gods beeld. Daarom hebben we allemaal talenten. Talenten die het mogelijk maken de rest van de samenleving te dienen. We maken de wereld beter door ons werk goed te doen.

Als je christen wordt, krijg je boven op je talenten geestelijke gaven. Deze gaven kunnen je helpen je talenten te gebruiken. Neem bijvoorbeeld de grote prediker Spurgeon. Zonder zijn geestelijke gaven was hij door zijn talenten waarschijnlijk minister-president geworden, maar nu werd hij prediker. Maar nogmaals: het een is niet beter dan het ander.

 

Wanneer we willen ontdekken wat onze talenten, gaven en roeping zijn, moeten we onszelf drie vragen stellen:

 

  • Bij welke nood in de samenleving voel ik een brandend verlangen iets te doen? Kijk hierbij eerlijk om je heen, zonder nog te kijken naar wat je allemaal kunt. Zelf zag ik toen ik in New York kwam wonen de grote geestelijke armoede. Ik kreeg het verlangen hiermee aan de slag te gaan. Maar ik had nog geen flauw benul of ik wel goed kon evangeliseren. Dat kwam pas later.
  • Ga aan de slag. Probeer dus uit te vinden of je de talenten en gaven hebt om verschil te kunnen maken in de situatie. Misschien denk je de gave van spreken te hebben, maar zodra blijkt dat de mensen om je heen niet de gave hebben naar je te luisteren, herken dit dan. Ga op zoek naar een andere manier iets te kunnen betekenen. Misschien is preken toch geen talent en gave van jou.
  • Zoek naar mogelijkheden. Misschien zie je wel een nood, blijk je de gaven te hebben, maar gaan er geen deuren open om daadwerkelijk iets te kunnen betekenen. Misschien roept God je dus niet in die richting , maar ergens anders. Blijf altijd openstaan voor andere mogelijkheden.

 

Deze drie dingen – de nood zien, je gaven bevestigen, en mogelijkheden – moeten bij elkaar komen om je roeping te ontdekken.

 

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van vijf lezingen van Tim Keller over Dienend Leiderschap, te verkrijgen via www.redeemer.com.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *