In de leer bij… Pater Damiaan

Henk Jan KamsteegBlogLeave a Comment

Zalig is hij volgens de Rooms-Katholieke Kerk al sinds 1995. Op 11 oktober 2009 werd hij  daarnaast ook nog heilig worden verklaard. De grootste Belg aller tijden is meer dan 130 jaar na zijn overlijden op het lepra-eiland Molokai nog steeds een groot inspirator voor velen. Daarom… In de leer bij pater Damiaan.

Hij deed wat velen zeggen zo te bewonderen, maar weinigen hem daadwerkelijk nadoen. Pater Damiaan was bereid zichzelf volledig op te offeren om anderen te kunnen dienen. De geestelijke ging verder dan wie ook in het navolgen van Jezus. Damiaan verruilde zijn veilige onderkomen voor een bestaan op een schiereiland met als enige bewoners de ten dode opgeschreven leprapatiënten. Damiaan leefde voor en met de door de samenleving verbannen besmettelijke zieken. Totdat hij zelf ziek werd en te midden van zijn mensen aan de gevolgen van lepra stierf.

Op 3 januari 1840 werd hij in het Belgische Ninde geboren als Jozef de Veuster, roepnaam Jef. Hij was de zevende van het negen kinderen tellende boerengezin. Even leek het erop dat hij in de voetsporen van zijn vader zou treden, maar al op jonge leeftijd liet Jef weten liever het voorbeeld van twee van zijn zussen en een oudere broer te volgen, die hadden gekozen voor het leven van een geestelijke. Toen wist Jef nog niet dat de landbouw een van zijn vele werkzaamheden zou worden aan de andere kant van de wereld, op een van de eilanden van Hawaï.

Op zijn achttiende vertrok Jef naar het seminarie. Daar nam hij de kloosternaam Damiaan aan, vernoemd naar een arts die zich voor zijn zieken had opgeofferd. Drie jaar later – en een studie Latijn en Grieks in Parijs verder – hoorde Damiaan dat een bisschop priesters zocht voor werk op Hawaï. Damiaan wilde direct gaan. Maar helaas… Hij was nog geen priester en kreeg dus geen toestemming. Zijn broer Pamphile kreeg wel het groene licht.

Maar door ernstige ziekte van Pamphile was het voor hem niet mogelijk naar Hawaï af te reizen. In zijn plaats kreeg Damiaan alsnog toestemming te gaan. Op 23 oktober 1863 stapte Damiaan op de boot. Een ongewisse toekomst lag voor hem. Een toekomst waarin pater Damiaan zich ontpopte als een servant-leader die zijn gelijke niet kent.

 

De oogst is rijp

Na vier maanden op Hawaï werd Damiaan alsnog priester. Onvermoeibaar werkte hij onder geïsoleerde bevolkingsgroepen op de eilanden. Overal werd hij met open armen ontvangen. Onder zijn bezielende leiding bouwden nieuwe bekeerlingen maar liefst negen nieuwe kerken.

In de tussentijd had koning Kamekarcha V opdracht gegeven om mensen die leden aan de dodelijke en besmettelijke ziekte lepra te verbannen naar het eiland Molokai. Negen mannen en drie vrouwen werden in 1866 afgevoerd. Of zoals een van hen schreef: “Als gevangenen gingen wij aan boord.” En nooit keerden zij terug.

De patiënten leefden in een wetteloze samenleving. Wat had het immers voor zin om je aan de regels te houden? Geen straf die in ieder geval nog indrukwekkend genoeg was om als afschrikking te dienen. De ergste straf die zij konden bedenken, hadden zij immers al gekregen: een dodelijke ziekte en een levenslange verbanning.

Mondjesmaat zorgde de regering voor enkele voorzieningen op Molokai, zoals een ziekenhuis en een kerkje. De katholieke kerk stuurde zo nu en dan priesters die tijdelijk de nodige geestelijke verzorging voor hun rekening namen. Op eigen verzoek bezocht ook pater Damiaan het eiland. Maar in tegenstelling tot zijn broeders wilde hij niet naar huis terugkeren. “De oogst is rijp. De zieken stromen binnen. Ze sterven bij bosjes. Ik wil mijn leven wijden aan deze mensen”, zo schreef Damiaan aan een familielid. En dus bleef hij op het eiland waar niemand vrijwillig verbleef.

Pater Damiaan was niet een priester die alleen maar geestelijk voedsel bracht. Overdag bezocht hij patiënten en ’s avonds bouwde hij aan een kerkgebouw dat bij zijn aankomst nog slechts voor de helft was afgerond. Verder bouwde hij eigenhandig een watervoorziening en runde hij in zijn eentje een ziekenhuis. En tussen de bedrijven door leidde hij begrafenisdiensten. Op Molokai stierf gemiddeld één inwoner per dag… Het verhaal gaat dat pater Damiaan tijdens een kerkdienst zo onpasselijk werd van de stank van de bezoekers, dat het hem moeite kostte niet hard weg te rennen. Maar de priester bleef.

 

Kritiek

Toeristen die vandaag de dag het eiland Molokai bezoeken, krijgen steevast het trieste verhaal te horen van de dag waarop pater Damiaan besefte dat hij niet langer alleen de verzorger van de leprapatiënten was, maar nu ook een medepatiënt. Het was in november 1884. Pater Damiaan was 44 jaar jong. Na een lange dag hard werken, wilde hij genieten van een warm voetenbad. Nadat hij eerst zijn ene voet in het water had gezet, wilde hij zijn andere voet ernaast zetten. Maar zodra deze het water raakte, besefte hij dat het water kokend heet was… Nu wist pater Damiaan het zeker: ook hij had lepra. Later schreef hij over zijn ziekte aan zijn broer het volgende: “Het is de wil van God. En ik ben Hem dankbaar omdat ik net zo zal sterven als m’n mensen. Ik ben heel tevreden en gelukkig.”

Pater Damiaan was inmiddels wereldwijd een begrip. Het gevolg was dat er vanuit alle uithoeken van de wereld geld richting Molokai kwam. Pater Damiaan, voor wie de publiciteit niet hoefde, besefte wel dat doordat hij de kranten haalde, hij nu over financiën kon beschikken om voor zijn mensen te zorgen. De keerzijde was wel dat er jaloezie ontstond bij zijn collega-geestelijken. Zo werd kort na het bekend worden van zijn ziekte door boze tongen gesuggereerd dat pater Damiaan de besmetting te wijten had aan seksuele contacten met patiënten. Hoewel vooral protestanten deze roddels voedden, liet bisschop Cocoman zijn priester lichamelijk onderzoeken om te zien of hij ook andere ziektes had die alleen door seksuele contacten konden worden opgedaan. Uiteraard werd er niets gevonden. Maar pater Damiaan was diep geraakt door het wantrouwen van zijn geestelijk meerdere.

Maar hiermee was de kritiek op hem niet verstomd. Zo werd pater Damiaan ervan beschuldigd de situatie op Molokai te overdrijven omdat hij aandacht wilde. Door zijn meerderen werd hij berispt om zijn “arrogantie, koppigheid en fanatisme”. Toen de priester aan het eind van zijn leven begon te twijfelen aan zijn behoud en vroeg om een biechtvader, bleef het angstig stil. Er was niemand die hem de biecht wilde afnemen.

 

Opvolging

Omdat Damiaan helemaal niet uit was op eigen eer en glorie, was zijn diepe wens dat hij bij zijn sterven zou worden opgevolgd. In 1888 meldden zich vijf zusters, onder wie moeder overste Marianne. Pater Damiaan was vooral erg blij met haar leiderschap. Zij was de juiste vrouw op de juiste plaats. Door haar wist hij dat zijn werk erop zat. Om de zusters te beschermen, zette pater Damiaan nooit een voet in hun huis. Volgens zuster Marianne deed pater Damiaan zich nooit voor als martelaar, heilige of held. “Niemand die zo bescheiden is als hij.” Later voegde zij daaraan toe: “Wat kan een sterveling nog meer doen dan te sterven voor zijn mensen?” In april 1889, vlak voor Pasen, blies pater Damiaan zijn laatste adem uit.

Zijn dood was wereldnieuws. Volgens The London Times had de priester bewezen dat “leprozen meer waard waren dan isolement. Ze waren het waard om voor te sterven.” Maar ook nu nog bleef er kritiek op pater Damiaan. Dominee Hyde, een protestantse zendeling, noemde Damiaan “een vieze, koppige, dweepzieke man”. Zijn lepra was volgens hem het gevolg geweest van zondig gedrag en onvoorzichtigheid.

 

Zijn lichaam

Tegen de wil van de bevolking van Molokai eiste België het lichaam van pater Damiaan in 1936 op. Duizenden bewonderaars, onder wie koning Leopold III en kardinaal Van Roey, bewezen de priester de laatste eer toen zijn lichaam op 3 mei in Antwerpen aankwam. Op 5 mei werd hij bijgezet in de crypte van de Sint-Antoniuskerk aan het Pater Damiaanplein in Leuven. In 1995 werd zijn rechterhand overigens weer teruggezonden naar Molokai, alwaar die tijdens een feestelijke ceremonie werd begraven. De vader, vriend en broer van de leprapatiënten was terug.

In een televisiedocumentaire over het leven van pater Damiaan stelt de commentator dat de priester zichzelf de vraag stelde wie nu werkelijk zijn broeder was. “Ben ik mijns broeders hoeder? En als ik dat ben, wat betekent dat dan? Moet ik mijn eigen beperkingen, onmacht en twijfels overstijgen? Moet ik niet aan mijzelf denken, maar de helpende hand uitsteken? Ook al krijg ik vuile handen, ook al breng ik mezelf in gevaar? Moet ik dat doen? Is het mijn plicht, en kan ik het? En Damiaan zei ‘ja’.”

En juist deze zelfopoffering maakte van pater Damiaan zo’n groot leider. Zo was hij zelfs een inspiratiebron voor Mahatma Gandhi, zelf ook geen kleintje… Gandhi over Damiaan: “De politiek en journalistiek kennen weinig helden zoals pater Damiaan. Wij moeten ons afvragen waar die moed vandaan kwam.”

Franklin D. Roosevelt, die zelf leidde aan kinderverlamming, zei over de priester het volgende: “Uit mijn jeugd herinner ik mij de les die wij van deze vrome man konden leren. Deze les van zelfopoffering zal nooit teloorgaan.”

En dan ten slotte moeder Teresa. “Echte liefde kan alleen bestaan zonder enige vorm van eigenbelang. Dat heeft pater Damiaan heel goed begrepen en elke dag uitgedragen.”

 

Wat pater Damiaan zelf over zijn opoffering zei? “Prijs God, niet mij.”

 

Voor dit artikel is onder andere gebruik gemaakt van de dvd Pater Damiaan; de grootste Belg, uitgegeven door Orion.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *